Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017

Onder 2.2.4 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:81.

Nu de proceskostenvergoeding forfaitair wordt bepaald, is als uitgangspunt niet relevant hoe hoog de werkelijke kosten van eiser zijn geweest. Van belang is echter dat tussen eiser en zijn gemachtigde reeds is afgerekend. De rechtbank begrijpt de afspraak tussen eiser en zijn gemachtigde aldus dat indien in beroep alsnog een hogere proceskostenvergoeding wordt toegekend, de gemachtigde een aanvullende rekening aan eiser stuurt voor het verschil. Wordt geen aanvullende proceskostenvergoeding toegekend, dan is er volledig afgerekend en volgt er geen aanvullende rekening voor de bezwaarfase. Dientengevolge zal eiser ongeacht de uitkomst van het beroep immer in dezelfde financiële positie blijven. Een uitspraak van de rechtbank kan eiser daarom niet in een gunstiger positie brengen dan waarin hij met de door verweerder bij de uitspraak op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding al is komen te verkeren (vergelijk Hoge Raad 8 september 2006, LJN: AU4755). Niet eiser, maar slechts zijn gemachtigde heeft belang bij het beroep. Nu de vraag - zoals hiervoor in r.o. 2.2 gesteld - of eiser belang heeft bij het beroep negatief moet worden beantwoord, is het beroep niet-ontvankelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f65d48b8dac1ae47f4d88e9be42896cbe60191edfbb1b96287979c74e75632df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f65d48b8dac1ae47f4d88e9be42896cbe60191edfbb1b96287979c74e75632df, en de alinea staat in dat document op bytes 88178 tot 89382.