Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017
Onder 4.5 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:82.
Het Hof heeft uit de door hem geconstateerde onverbrekelijke samenhang tussen de rechtshandelingen en de door hem vastgestelde antifiscale bedoelingen van de betrokken partijen afgeleid dat de bedoeling en het effect was dat de volledige economische eigendom van de obligatieportefeuilles bij [F] bleef en dat 12,24% van de obligatierente aan de belanghebbende zou toekomen als vergoeding voor verleende tax shelter diensten. Het Hof heeft het bestaan van de putoptie- en leningsovereenkomsten en de juridische eigendomsverhoudingen dus geenszins miskend. Integendeel; het Hof heeft zijn juridische kwalificatie daar juist op gebaseerd. Hij heeft mijns inziens terecht niets anders gedaan dan de volgens hem onlosmakelijk samenhangende contracten van de betrokkenen in hun onderlinge samenhang uitleggen en waarderen. Van zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie in afwijking van de civielrechtelijke waardering en kwalificatie is mijns inziens geen sprake, al gebruikt het Hof de termen ‘voor fiscale doeleinden’ en ‘fiscale kwalificatie,’ die laatste overigens alleen voor de ‘kwalificatie’ van het de 12,24% van de obligatierente die aan de belanghebbende toekomt. ’s Hofs oordeel houdt mijns inziens in dat ook de burgerlijke rechter tot het oordeel zou komen dat [F] slechts een zo kaal mogelijke juridische eigendom van de portefeuilles aan de dochters van de belanghebbende heeft overgedragen en de volledige economische eigendom heeft behouden, onder de verplichting tot betaling van 12,24% van de rente aan de belanghebbende. Gezien hun samenhang met de andere onderdelen van de constructie, zijn ook de PPL’s niet op zichzelf beoordeeld en hebben zij geen eigen afzonderlijke betekenis (ook de fiscus zag hen – aanvankelijk – slechts als reken tool om de ontweken belasting te verdelen). Daardoor behaalden de dochters van de belanghebbende geen eigen winsten die gedeeld zouden hebben kunnen worden: door het volgens het Hof onlosmakelijk met elkaar samenhangende samenstel van de transacties - waaronder de PPL’s - kwam de winst (de rente en de vermogensresultaten op de obligaties) niet op aan belanghebbendes dochters (die de obligaties slechts voor rekening en risico van [F] hielden), maar aan [F] als – ook civielrechtelijk - beneficial owner . In ’s Hofs niet-onbegrijpelijke uitleg van de contracten en de feiten en bij diens mijns inziens niet van rechtskundige fouten getuigende juridische kwalificatie daarvan is de ombouw van [B] ’ obligatierendement in onbelast deelnemingsdividend dus mislukt. Alle voor- en nadelen uit de portefeuilles kwamen ten goede aan [F] en de dochters van de belanghebbende waren te dier zake slechts loketten; daarnaast kreeg de belanghebbende van [F] (eveneens via belanghebbendes dochters als loket) een bedrag gelijk aan 12,24% van de rente als vergoeding voor dienstverlening.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ce9f437cc64ff02cd73df4b4a82308a9044de4b6be279a3629672411a47564f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ce9f437cc64ff02cd73df4b4a82308a9044de4b6be279a3629672411a47564f3, en de alinea staat in dat document op bytes 70158 tot 73237.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ce9f437cc64ff02cd73df4b4a82308a9044de4b6be279a3629672411a47564f3 | shasum -a 256