Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017

Onder 8.13. Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:878.

Deze medaille heeft ook een andere kant. In de zaak Veselov en anderen tegen Rusland contrasteerde het EHRM de casus met die in Bannikova tegen Rusland, waarin “the test purchase was preceded by a number of investigative steps, most notably telephone tapping authorised by a court, which secured tangible evidence of the applicant’s pre-existing intent to sell cannabis.” In Bannikova oordeelde het EHRM dat uit de inhoud van de afgetapte telefoongesprekken volgde dat agent B, die de pseudokoop uitvoerde, “stepped into the transaction when it was already under way” (vgl. hiervoor, punt 5.14). Daarmee zou de kous af zijn geweest, ware het niet dat Bannikova had aangevoerd dat zij enkele maanden voordat de afgeluisterde telefoongesprekken met S. plaatsvonden, door een zekere Vladimir was geprest om hem grote hoeveelheden hashish te leveren die zij van S. moest betrekken. Zij beweerde daarbij dat deze Vladimir een undercoveragent van de FSB (de Staatsveiligheidsdienst) was en dat zijn optreden onderdeel was geweest van de undercoveroperatie. Hoewel voor deze beschuldiging geen ander bewijs bestond dan de verklaring van Bannikova zelf (ook het bestaan van Vladimir stond niet vast), achtte het EHRM dit verweer niet ‘wholly improbable’, zodat op de rechter de plicht rustte “to uncover the truth”. Hier echter toonde het EHRM zich met weinig tevreden. Het stelde voorop dat de Russische rechter gemotiveerd had uiteengezet dat uitlokking kon worden uitgesloten op grond van de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken. Volgens het EHRM was dit bewijs inderdaad “highly relevant”. Het EHRM wees er voorts op dat agent B. als getuige was gehoord en dat hem vragen hadden kunnen worden gesteld over de beweerdelijke rol van Vladimir als FSB-informant. Die ondervraging had echter geen spoor van bewijs opgeleverd voor de bewering van Bannikova. Het nadere onderzoek waarom Bannikova had verzocht (zoals het horen van de FSB-agent die de telefoongesprekken had getapt) achtte het EHRM met de Russische rechter overbodig. Wat het verzoek betreft om overlegging van de opnamen die zouden zijn gemaakt van de gesprekken tussen haar en de FSB-agenten, ‘accepteerde’ het EHRM dat dergelijke opnames niet bestonden. Dit alles leidde tot de slotsom dat het uitlokkingsverweer door de Russische rechter “adequately addressed” was. Onmogelijke eisen stelt het EHRM dus niet. Het bewijs dat de bewering van Bannikova niet klopte, werd niet op de schouders van de autoriteiten gelegd. De rechter moet dergelijke beweringen wel onderzoeken en beoordelen, maar het ontbreken van een feitelijke onderbouwing van een gevoerd verweer komt onder omstandigheden voor rekening van de verdachte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d, en de alinea staat in dat document op bytes 132617 tot 135348.