Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017
Onder 8.14. Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:878.
Het EHRM gaat er in Bannikova tegen Rusland stilzwijgend aan voorbij dat het in deze zaak aan een behoorlijke ‘authorisation procedure’ lijkt te hebben ontbroken. De toestemming voor de undercoveroperatie werd gegeven door de districtschef van de FSB, en dus niet door een rechter of andere justitiële autoriteit en evenmin door een instantie “separate from the services which carry out the operation” (vgl. Veselov en anderen tegen Rusland, § 105). Een gebrek aan waarborgen lijkt aldus gecompenseerd te kunnen worden door hard bewijs voor het bestaan van een ‘predisposition’. Mogelijk is ook het omgekeerde het geval. Interessant in dit verband is een vergelijking met de al vaker ter sprake gekomen zaak Scholer tegen Duitsland. Het bewijs van een predispositie was in deze zaak veel minder sterk dan in Bannikova tegen Rusland. Vóór de start van de operatie was er alleen een anonieme tip en een oude veroordeling (zie hiervoor, onder 5.11). Daar stond tegenover dat het met de noodzakelijke waarborgen met betrekking tot goedkeuring en uitvoering van de operatie wel goed lijkt te hebben gezeten. Zoals al werd opgemerkt, volstond het EHRM in deze zaak met de ‘substantive test’. De feiten waarop het EHRM zich daarbij baseerde, ontleende het – zo kan uit de vermelde “facts” worden afgeleid – aan hetgeen door de Duitse rechter was vastgesteld. Die Duitse rechter op zijn beurt baseerde zich op de verklaringen van de betrokken undercoveragenten en van de politieman K. die als hun begeleider was opgetreden. Opnamen van de gesprekken die de undercoveragenten met de verdachte voerden, lijken er niet te zijn geweest. De undercoveragenten konden bovendien door de verdachte niet worden ondervraagd “in order to protect their life and limb”. Wel kon de verdediging schriftelijke vragen stellen, die door tussenkomst van K. werden beantwoord. Het EHRM zag hierin kennelijk geen reden om aan de vastgestelde feiten te twijfelen. In het kader van de ‘substantive test’ overwoog het EHRM, na te hebben opgemerkt dat het de politie-informant S. was geweest die het eerste contact met de verdachte had gelegd en die naar de mogelijkheid om hem drugs te verkopen had geïnformeerd (§ 88):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d, en de alinea staat in dat document op bytes 135450 tot 137751.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d | shasum -a 256