Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017
Onder 8.16. Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:878.
Voordat ik toekom aan de eigenlijke bespreking van het middel nog een enkele opmerking over de hierboven weergegeven § 41 van het arrest in de zaak Pătraşcu tegen Roemenië, waarin als algemene regel wordt gesteld dat de undercoveragenten in kwestie ter terechtzitting ondervraagd moeten kunnen worden door de verdediging, “or at least that detailed reasons should be given for a failure to do so”. Dat de persoonlijke veiligheid van de agenten een dergelijke reden kunnen opleveren, lijdt geen twijfel. Daarbij zal wel moeten worden bezien of er alternatieve mogelijkheden zijn, zoals horen elders dan ter terechtzitting en met beperkende maatregelen die gericht zijn op de bescherming van de getuige. Ook andere redenen lijken een beperking van het ondervragingsrecht te kunnen rechtvaardigen. In de zaak Bannikova tegen Rusland wijdt het EHRM een algemene beschouwing aan de spanning tussen het recht op een eerlijk proces in uitlokkingszaken en het achterhouden van relevant bewijsmateriaal “on grounds of public-interest”. In § 62 noemt het EHRM onder meer “the need to keep secret certain police methods of investigation” als een reden op grond waarvan enige beperking van het recht op een eerlijk proces aanvaardbaar kan zijn. Voor de bespreking van het middel is het niet nodig om dieper op dit punt in te gaan. Ik merk slechts op dat de beschouwing van het EHRM betrekking heeft op de vraag of relevant bewijsmateriaal mag worden achtergehouden. Wat niet relevant is, hoeft niet te worden geopenbaard. Zo oordeelde het EHRM in diezelfde zaak (Bannikova, § 76) dat het door de verdediging gedane verzoek om de opnamen te mogen bekijken die van de daadwerkelijke aflevering van de drugs waren gemaakt, mocht worden afgewezen, aangezien dit overbodig was nu Bannikova niet had betwist dat zij de drugs had verkocht. Welk bewijsmateriaal bij de beoordeling van een uitlokkingsverweer wel relevant is, wordt in § 64 van Bannikova tegen Rusland nader geduid. Het EHRM spreekt daarin van “all relevant information, particularly regarding the purported suspicions about the applicant’s previous conduct”. Het is zo gezien nog maar de vraag of informatie over de onderzoeksmethodieken van de politie of over de tactische overwegingen die ten grondslagen lagen aan de inzet van undercoveragenten, relevant is voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van uitlokking. Het zou mij daarbij niet verbazen als de mate van relevantie mag worden betrokken bij afweging of het achterhouden van bepaalde informatie rechtvaardiging vindt in een publiek belang.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d, en de alinea staat in dat document op bytes 140806 tot 143469.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ea0b4faa98504daf01d5e863681e7147af6045c3e68a937bb22e859b7e9d78d | shasum -a 256