Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017

Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:885.

Maar hier is wel ruimte voor aarzeling. De motivering uit de toelichting van de wijzigingswet om een beroepsmogelijkheid te scheppen tegen beschikkingen van de R-C in surseance inzake dwangakkoorden is overtuigend: dat zijn ingrijpende beslissingen van zwaarder kaliber dan de overeenkomstige beslissingen bij schuldsanering (waar een beroepsmogelijkheid is uitgesloten, zodat er reden is die beroepsmogelijkheid bij de nu geschapen mogelijkheid van het opleggen/weigeren van dwangakkoorden in surseance wel mogelijk te maken). Meestal heeft de afwijzing van een dwangakkoord door de R-C tot gevolg dat de sursiet failleert, zoals ook in het geval van [verzoeker] is gebeurd. Toewijzing van een dwangakkoord bindt schuldeisers die tegen hebben gestemd. Om dan vier jaar later in het wetgevingsproces bij nota van wijziging in het kader van een meeromvattende stofkamoperatie die beroepsmogelijkheid weer uit het voorstel te halen met als argument dat moet worden gewaakt voor onnodige belasting van de rechter, maar zonder verder aandacht te besteden aan de aanvankelijke ratio voor de wenselijkheid van beroep op de rechtbank vanwege de ingrijpende gevolgen, komt vanuit het oogpunt van rechtsbescherming niet gelukkig en eerlijk gezegd enigszins pover voor . Maar om tegen deze niettemin duidelijke wil van de wetgever in te gaan door niettegenstaande deze wordingsgeschiedenis wel een analoge beroepsmogelijkheid bij (weigering van) dwangakkoord-beschikkingen als bij art. 67 Fw mogelijk te achten, gaat ver. Naar mij voorkomt (net) te ver buiten de perken van de trias politica. Het zou neerkomen op trotseren van een duidelijke wil van de wetgever (ontzien van de rechter, een ook in de Straatsburgse rechtspraak erkend legitiem belang ), ook al kan men als rechter mogelijk de wenkbrauwen fronzen over de rammelende motivering van de wetgever in dit geval. Ingrijpen ligt hier in mijn optiek echter niet op het bord van de rechter, maar op dat van de wetgever (ook al maakt deze hier nog niet veel aanstalten ). Het zou iets anders zijn geweest, als de mogelijkheid van hoger beroep helemaal niet aan de orde zou zijn geweest in de wijzigingswet en betoogd kan worden dat sprake is van een omissie die met analoge toepassing van een faillissementsbepaling kan worden gerepareerd. Dan treed je niet op de weg van de wetgever.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefe94acb71b82ec2046360989c0b9480a3d0c667696a75c706c78326097f5d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefe94acb71b82ec2046360989c0b9480a3d0c667696a75c706c78326097f5d4, en de alinea staat in dat document op bytes 58449 tot 61046.