Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:885.

Dat geldt niet als zou worden aangesloten bij wel in de surseancetitel geregelde appel- en cassatietermijnen: telkens acht dagen in art. 219 en 221 Fw (appel- resp. cassatietermijn toe- of afwijzing surseance), art. 243 en 244 Fw (appel- en cassatietermijn bij intrekking van de surseance), art. 247b leden 2 en 4 Fw (appel- en cassatietermijn bij afwijzing van een verzoek tot omzetting van surseance in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) en art. 278 en 279 Fw (appel- en cassatietermijn bij faillietverklaring na afwijzing van een concept-akkoord in surseance). Het zijn allemaal uiteindelijk beslissingen die zien op de faillissementsrechtelijke status van de schuldenaar, iets anders dan aan de orde in onze zaak. Zo maar daarbij aansluiten lijkt een zinnige grond te ontberen. Voor analoge toepassing van art. 12 Fw (cassatie tegen arrest (weigering) faillietverklaring) zie ik, met [verzoeker] (verweerschrift niet-ontvankelijkheid 1.1-1.3), evenmin ruimte. Van ontijdig cassatieberoep is volgens mij zo bezien dan ook geen sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefe94acb71b82ec2046360989c0b9480a3d0c667696a75c706c78326097f5d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefe94acb71b82ec2046360989c0b9480a3d0c667696a75c706c78326097f5d4, en de alinea staat in dat document op bytes 26809 tot 27874.