Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017

Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:885.

Een mogelijke eerste benadering is dat vanwege art. 282 Fw en bij gebreke van een bepaling in de surseancetitel die het tegendeel bepaalt, geen (hoger) beroep open stond tegen de aangevallen “rechterlijke” beslissingen van de R-C en [verzoeker] daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de rechtbank. Waarom een R-C die beslissingen neemt als in deze zaak door [verzoeker] aangevallen dat niet doet als rechter(lijk functionaris) , valt niet goed in te zien. Leentjebuur plegen bij de titel over faillissement (art. 67 Fw – beroep tegen bepaalde beschikkingen van de R-C in faillissement op rechtbank; vgl. ook de overeenkomstige bepaling voor schuldsanering, art. 315 Fw, of art. 12 Fw – cassatieregeling (weigering) faillietverklaring) of aansluiting zoeken bij de algemene cassatieregeling uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 426 Rv) en dan betogen dat dit een geval is, waarin het tegendeel is bepaald in de zin van art. 282 Fw, komt wetssystematisch gewrongen voor. Hoewel surseance van betaling in de praktijk vaak een voorstadium van faillissement vormt, heeft het in opzet en regeling een ander karakter: alleen de schuldenaar kan surseance aanvragen en surseance is niet (uiteindelijk ) gericht op vereffening van de boedel ten behoeve van de schuldeisers, maar op sanering van de gerezen financiële problemen. Surseance is ook bedoeld als een snel traject. Het wordt maar voor beperkte tijd verleend en voor een beperkt aantal vorderingen (separatisten, Belastingdienst, werknemers en dwangcrediteuren zijn uitgezonderd) en als het akkoord mislukt, volgt als regel faillissement om de boedel onder leiding van een curator te vereffenen. Daar past in beginsel goed bij dat van R-C-beslissingen (waarbij te bedenken is dat een R-C in faillissement andere taken heeft dan een R-C in de surseance-regeling ) alleen beroep open staat als de wet dat expliciet bepaalt. Een parallel trekken met art. 67 Fw ligt dan gelet op deze verschillen niet voor de hand. De wettelijk aangewezen weg is hier art. 269a Fw (verbetering p-v, die als gezegd ook is bewandeld in onze zaak evenwijdig aan het ingestelde beroep van de beslissingen van de R-C). Daar komt als gezichtspunt bij dat door de wetgever betrekkelijk recent uitdrukkelijk is overwogen om een beroepsmogelijkheid van R-C-beslissingen op de rechtbank mogelijk te maken (net als dat bij faillissement geldt, art. 67 Fw, en bij de schuldsaneringsregeling, art. 315 Fw), maar dat is hangende het wetgevingstraject weer ingetrokken . Ondanks die intrekking nu toch art. 67 Fw analoog willen toepassen, ligt dan niet in de rede. Een parallel met art. 12 Fw ligt zo bezien vanwege deze verschillen evenmin voor de hand. Uit de zinsnede in art. 282 lid 2 Fw “behoudens cassatie in het belang der wet” kan worden afgeleid dat tenzij uitdrukkelijk toegestaan ook geen cassatieberoep mogelijk is . Dat volgt ook al uit de gehanteerde terminologie “geen hogere voorziening” uit art. 282 Fw. Langs deze weg zou het cassatieberoep grotendeels stranden – althans, indien het gedane beroep op een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod niet slaagt. Daar komen we verderop inhoudelijk aan toe.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefe94acb71b82ec2046360989c0b9480a3d0c667696a75c706c78326097f5d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefe94acb71b82ec2046360989c0b9480a3d0c667696a75c706c78326097f5d4, en de alinea staat in dat document op bytes 28530 tot 32147.