Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017
Onder 3.2.10 Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:888.
Hierbij is te wijzen op het verschil tussen lid 1 en lid 2 van art. 6:248 BW. Art. 6:248 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Het artikel noemt dus de verschillende bronnen waaruit de rechtsgevolgen van een overeenkomst voortvloeien. Daarbij wordt herhaald hetgeen reeds uit art. 6:2 lid 1 BW volgt, te weten dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. De bepaling regelt daarmee de zogeheten aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Art. 6:248 lid 2 BW bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit wordt ook wel de derogerende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid genoemd. Deze werking van de redelijkheid en billijkheid is tevens te vinden in art. 6:2 lid 2 BW, dat bepaalt dat een tussen schuldeiser en schuldenaar krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Met het woord “onaanvaardbaar” is in de genoemde artikelen tot uitdrukking gebracht dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudend dient te worden toegepast. De Hoge Raad heeft deze terughoudendheid diverse malen bevestigd en daartoe onder meer overwogen dat niet moet worden getoetst of sprake is van een enkele strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid, maar dat de toets verder gaat: het moet gaan om onaanvaardbaarheid, en voorts dat “niet redelijk” een andere maatstaf vormt dan die in de meer terughoudende woorden “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” tot uitdrukking is gebracht in art. 6:248 lid 2 BW. Gelet op de terughoudende toetsing die in het kader van art. 6:248 lid 2 BW dient plaats te vinden, betekent de onduidelijkheid over de maatstaf die het hof heeft toegepast, dat niet zeker is of het hof de vraag of [eiseres] zich op de opzegging kon beroepen op de juiste wijze heeft beoordeeld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09ef3dc3f0e62a857f9dbcfac19d78b128b336f4eefc60e56ed1b665bc962ac0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09ef3dc3f0e62a857f9dbcfac19d78b128b336f4eefc60e56ed1b665bc962ac0, en de alinea staat in dat document op bytes 152304 tot 154995.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/09ef3dc3f0e62a857f9dbcfac19d78b128b336f4eefc60e56ed1b665bc962ac0 | shasum -a 256