Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:889.
In een aantal zaken is er discussie geweest over de kwalificatie van de overeenkomst. Aanleiding hiervoor is dat art. 8.1.3 Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) voorschrijft dat aan de inschrijving een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag ligt. In de feitenrechtspraak wordt geoordeeld dat deze onderwijsovereenkomst (niet een overeenkomst sui generis, maar) een overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 lid 1 BW is. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter ook in deze zin geoordeeld. Daartegen is niet opgekomen (rov. 9 van het bestreden arrest), zodat vast staat dat het gaat om een opdrachtovereenkomst. De opdrachtovereenkomst bestrijkt tal van situaties, die onderling nagenoeg onvergelijkbaar kunnen zijn. Het volgende is dan ook gericht op studieovereenkomsten als de onderhavige.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ee53608a663d685e654f39147c996ebb7f773911a1042adaae2ff8fda48d17e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ee53608a663d685e654f39147c996ebb7f773911a1042adaae2ff8fda48d17e, en de alinea staat in dat document op bytes 34265 tot 35444.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ee53608a663d685e654f39147c996ebb7f773911a1042adaae2ff8fda48d17e | shasum -a 256