Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 september 2017

Onder 2.18 Parket bij de Hoge Raad 1 september 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:905.

Dit oordeel wordt gesterkt door de constatering dat Encare geen wezenlijk belang bij een hoofdelijke veroordeling lijkt te hebben. In het geval van een ‘gewone’ vordering met twee schuldenaren heeft de schuldeiser een belang bij een hoofdelijke veroordeling om te ontkomen aan toepassing van de hoofdregel van artikel 6:6 lid 1 BW, dat de schuldenaren slechts ieder voor hun (in beginsel gelijke) deel kunnen worden aangesproken. Deze situatie zal zich hier niet voordoen. Een niet-hoofdelijke veroordeling van [betrokkene 1] op grond van nakoming en van [eiser] op grond van ongerechtvaardigde verrijking brengt niet mee dat [betrokkene 1] nog slechts gehouden zou zijn tot betaling van een gedeelte, zeg de helft, van zijn contractuele schuld. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor een eventuele ongerechtvaardigde verrijkingsvordering op [eiser]. In die zin zou Encare er geen nadeel aan ondervinden als [betrokkene 1] (wiens – hoofdelijke – veroordeling reeds onherroepelijk is geworden) en [eiser] ieder voor zich veroordeeld zouden worden tot betaling van de overeengekomen bijdrage respectievelijk het bedrag van de (eventuele) ongerechtvaardigde verrijking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae63b4b29adddac17433ae930a23eb6c81cba61b091bc5a648ed3864661354ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae63b4b29adddac17433ae930a23eb6c81cba61b091bc5a648ed3864661354ef, en de alinea staat in dat document op bytes 52823 tot 54138.