Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017

Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:907.

“3. (…) De CRvB merkt zelf ook op dat op het terrein van de sociale zekerheid aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt (…). Vervolgens neemt hij toch vrij gemakkelijk aan dat bloedverwanten in de tweede graad en niet-bloedverwanten ‘gelijke gevallen’ zijn, ondanks het feit dat de wetgever in de wet tot uitdrukking heeft gebracht dat dit in dit geval niet zo is. En daar waar de CRvB overweegt dat de familieband tussen bloedverwanten in de eerste graad juridisch nauwer is dan die tussen tweedegraadsbloedverwanten zoals broers en zussen, kan er toch ook niet aan worden voorbijgezien dat de familieband tussen bloedverwanten in de tweede graad toch ook onmiskenbaar nauwer is dan die tussen personen die helemaal geen familie zijn. Bovendien bestaat bij bloedverwanten in de tweede graad een huwelijksbeletsel. Het lijkt mij dat ook er pas echt sprake is van gelijke gevallen, als iets meer aan de hand is. Gedacht zou kunnen worden aan personen die in hetzelfde gezinsverband zijn opgegroeid, maar die geen bloedverwanten zijn of bloedverwanten zijn in een verdere graad. Maar ook als we aannemen dat de gevallen wel gelijk zijn, moeten we verder kijken naar de rechtvaardiging van het onderscheid. De CRvB kijkt terug naar de afschaffing van de algemene uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad bij de gelijkstelling van gehuwden. Hij constateert dat de wetgever toen geen rechtvaardiging zag voor het onderscheid tussen bloedverwanten in de tweede graad en niet-bloedverwanten. De CRvB wijst erop dat hij, na het schrappen van de algemene uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad heeft geoordeeld dat de keuze van de wetgever om deze algemene uitzondering te beperken tot bloedverwanten in de eerste graad (…) objectief gerechtvaardigd was en geen verboden onderscheid opleverde ten opzichte van bloedverwanten in de tweede graad. Maar anders dan de CRvB lijkt te suggereren is dit geen bewijs voor de stelling dat de wetgever geen andere keus had kunnen maken zonder in strijd te komen met art. 26 IVPBR.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58ad052d35211cd31cfdea60c8755df11acc6d68e3c5b8558a18b24e04194671. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58ad052d35211cd31cfdea60c8755df11acc6d68e3c5b8558a18b24e04194671, en de alinea staat in dat document op bytes 31932 tot 34004.