Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:907.
4. Ik wil ook kijken naar de reden, waarom de wetgever indertijd bij de totstandkoming van art. 5a Algemene Bijstandswet (ABW), de oervader van het huidige art. 3 Pw, een algemene uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad op de gelijkstelling met gehuwden had gemaakt. Bij de invoering van de ABW in 1965 kende [de] wet nog helemaal geen bepaling met betrekking tot ongehuwd samenwonenden. De rechtspraak bood wel gedeeltelijk een oplossing. Het college kon de regels voor gehuwden analoog toepassen op personen die ongehuwd samenwoonden, als waren zij gehuwd (…). Toenmalig staatssecretaris De Graaf wilde eigenlijk alleen maar deze jurisprudentie codificeren in die zin dat ongehuwd samenwonenden wier situatie feitelijk niet verschilt van die van in gezinsverband levende gehuwden, wettelijk met gehuwden gelijk zouden worden gesteld (zie Handelingen II, 71, p. 4719). De Tweede Kamer wilde echter een meer objectief partnercriterium en kwam zo – weliswaar nog in iets andere bewoordingen dan in het huidige art. 3 lid 3 Pw – tot het ‘huisvestingscriterium’ en ‘zorgcriterium’ (Kamerstukken II 1985/86, 19529, 13). Bloedverwanten in de eerste en tweede graad werden daarbij uitgezonderd van de gelijkstelling met gehuwden. Opvallend is dat ook toen bij de parlementaire behandeling niet veel aandacht is geweest voor deze uitzonderingspositie. Het lijkt erop dat het voor de Tweede Kamer destijds tamelijk vanzelfsprekend was dat bloedverwanten in de eerste en tweede graad niet met gehuwden gelijk gesteld moesten worden, aangezien zij hoe dan ook niet bedoeld waren door de regering. Het toen bestaande onderscheid tussen bloedverwanten in de eerste en tweede graad enerzijds en niet-bloedverwanten of bloedverwanten in een verdere graad anderzijds heeft de CRvB nooit discriminatoir bevonden. Eerder het tegendeel is het geval (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juli 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB5265; overigens ging het in die zaak om een bloedverwant in de eerste graad die er juist voordeel van zou hebben gehad als zij wel als gehuwd zou zijn aangemerkt). Zou de CRvB overigens het onderscheid tussen bloedverwanten in de tweede graad en niet-bloedverwanten destijds wel in strijd met art. 26 IVBPR hebben geacht, dan zou sinds de invoering van art. 5a ABW per 1 oktober 1987 tot de invoering van de Abw per 1 januari 1996 in geen enkel geval de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden stand hebben kunnen houden!
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58ad052d35211cd31cfdea60c8755df11acc6d68e3c5b8558a18b24e04194671. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58ad052d35211cd31cfdea60c8755df11acc6d68e3c5b8558a18b24e04194671, en de alinea staat in dat document op bytes 34032 tot 36507.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/58ad052d35211cd31cfdea60c8755df11acc6d68e3c5b8558a18b24e04194671 | shasum -a 256