Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2017

Onder 2.14. Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:916.

Naar aanleiding hiervan merk ik op dat in Bopz-zaken de vraagstelling van het geneeskundig onderzoek dat aan de verklaring ten grondslag ligt, bij voorbaat gegeven is. De vraagstelling volgt uit de wet. Het formulier waarop de rapportage van het geneeskundig onderzoek in Bopz-zaken wordt uitgebracht is vastgesteld door de minister van VWS in overeenstemming met de minister van Justitie en kenmerkt zich door een vaste rubricering van de vraagstelling. De patiënt kan aan de onderzoekende psychiater suggesties doen voor de wijze waarop het onderzoek wordt verricht (bijvoorbeeld: om inlichtingen in te winnen bij een bepaalde persoon), maar de patiënt bepaalt evenmin als de officier van justitie de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Wanneer de rechter een deskundige benoemt, ligt dit anders: voor zover art. 8 Wet Bopz niet anders regelt, zijn de voorschriften van art. 194 – 200 Rv van overeenkomstige toepassing in rekestzaken, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (art. 284 lid 1 Rv).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00fcbaafc122b41c4db58cd6cf4d57abeef5a9a263bd20308c11b6873982e0fe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00fcbaafc122b41c4db58cd6cf4d57abeef5a9a263bd20308c11b6873982e0fe, en de alinea staat in dat document op bytes 24887 tot 25983.