Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2017
Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:96.
17. Overigens lijkt het mij gelet op een betrekkelijk recente uitspraak van het Europees Hof niet erg waarschijnlijk dat dit Hof in een voorliggend geval tot het door de stellers van het middel gewenste oordeel zal komen. Ik doel daarbij uiteraard op de uitspraak van de Grand Chamber in de zaak Ibrahim and others v. The United Kingdom van 13 september 2016, appl.nos 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09, een uitspraak die na de dagtekening van de schriftuur is verschenen en nadien in de vakliteratuur is besproken. Zoals bekend heeft die zaak betrekking op de poging van vier mannen op 21 juli 2005 om een bom in een Londense metro tot ontploffing te brengen, twee weken na de terroristische bomaanslagen die in Londen waren gepleegd en waarbij vele doden en gewonden waren gevallen. Drie verdachten werden na een klopjacht opgepakt. In de hectiek van deze dramatische gebeurtenissen vonden de zogenoemde safety interviews van hen plaats. Noch voor aanvang, noch tijdens en direct na deze interviews werden advocaten bij de verdachten toegelaten. Informatie uit deze safety interviews waren voor het bewijs in de strafzaken gebruikt. Maar van schending van art. 6 EVRM was geen sprake, zo oordeelde het Europees Hof. In een Vooraf in het NJB signaleert Taru Spronken onder veelzeggende kopjes als “EHRM relativeert Salduz-jurisprudentie” en “De teloorgang van de 'bright-line rule'”, dat het EHRM in algemene overwegingen – dus niet alleen in het verband van de exceptionele omstandigheden van het geval – afstand neemt van de bright-line rule die uit zijn eerdere Salduz jurisprudentie spreekt. Spronken benadrukt dat “ook als er géén sprake is van compelling reasons om contact met de advocaat uit te stellen, dat nog niet betekent dat daardoor zonder meer art. 6 EVRM is geschonden”, waarbij zij verwijst naar (a) een tiental door het Europees Hof in de Ibrahim-uitspraak geformuleerde criteria “voor een totality-of- the- circumstances-test, waarin alle op het spel staande belangen worden betrokken” en (b) het oordeel van het Europees Hof dat ten aanzien van een drietal klagers art. 6 EVRM niet geschonden is. Door de Ibrahim-uitspraak is “de in beginsel absolute regel die het EHRM constant heeft herhaald in zijn Salduz jurisprudentie, namelijk dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden de rechten van de verdediging onomkeerbaar zijn geschonden als verklaringen van verdachten voor het bewijs worden gebruikt, terwijl zij geen toegang hebben gehad tot rechtsbijstand, gerelativeerd”, aldus Spronken. Aan deze duidelijke analyse van Spronken heb ik hier niet iets toe te voegen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f71c93168190b69e86e06e8afea4a18560c244c9b211ba7d36ff5a49da829f44. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f71c93168190b69e86e06e8afea4a18560c244c9b211ba7d36ff5a49da829f44, en de alinea staat in dat document op bytes 37928 tot 40566.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f71c93168190b69e86e06e8afea4a18560c244c9b211ba7d36ff5a49da829f44 | shasum -a 256