Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 september 2018
Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 7 september 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1024.
Wordt een gerechtelijke procedure over een domeinnaamgeschil aanhangig gemaakt (al dan niet na afwikkeling van de buitengerechtelijke procedure), dan rijst de vraag wat daarin de rechtspositie is van de domeinnaamhouder, dus van degene die bij SIDN als houder van de domeinnaam staat geregistreerd. In het verleden is door sommige auteurs verdedigd dat de domeinnaamhouder een absoluut recht heeft op zijn domeinnaam en dat dit recht inroepbaar is jegens willekeurige derden. Tegenwoordig gaan de meeste auteurs ervan uit dat de domeinnaamhouder slechts een contractuele aanspraak oftewel een vorderingsrecht heeft jegens SIDN, namelijk een uit een overeenkomst voortvloeiend recht tot gebruik van de domeinnaam. Dat recht is weliswaar exclusief in feitelijke zin, omdat een domeinnaam naar zijn aard slechts éénmaal vergeven kan worden, maar niet in juridische zin, aldus dat een ‘inbreuk’ op dat recht per definitie onrechtmatig zou zijn. In een arrest uit 2015 lijkt de Hoge Raad zich bij deze heersende leer te hebben aangesloten. Dit leid ik af uit de overweging:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/644824fbd7d2da2e617db7990adfe7740de4d8300a7bfd416e4b6209727be639. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 644824fbd7d2da2e617db7990adfe7740de4d8300a7bfd416e4b6209727be639, en de alinea staat in dat document op bytes 21186 tot 22535.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/644824fbd7d2da2e617db7990adfe7740de4d8300a7bfd416e4b6209727be639 | shasum -a 256