Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018
Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:109.
De vraag of de burgerlijke rechter (in kort geding) een rol kan vervullen als ‘rest-rechter’ indien de eisende partij iets verlangt waarvoor het strafprocesrecht geen bijzondere rechtsgang biedt, geeft regelmatig aanleiding tot discussie. Dikwijls gaat het over de vraag of bij een vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering ruimte moet worden geschapen voor een algemeen toegankelijke rechtsgang waarin de niet elders in het wetboek geregelde verzoeken met betrekking tot strafvorderlijke beslissingen of handelingen kunnen worden beoordeeld binnen het strafrechtelijk circuit . Die vraag blijft in deze conclusie onbesproken. Wel is van belang, dat nog steeds de regel geldt dat er geen plaats is voor een voorziening van de burgerlijke rechter indien voor de eisende partij een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan waarin het desbetreffende verzoek ter beoordeling kan worden voorgelegd en daarop kan worden beslist . In dit geval is het probleem ontstaan tijdens de behandeling van de strafzaak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Blijkens het tussenarrest van dat hof van 1 maart 2016 heeft het O.M. zich primair op het standpunt gesteld dat het in de strafzaak gedane verzoek moet worden afgewezen omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat de strafkamer van het hof het O.M. opdraagt lichaamsmateriaal van het slachtoffer aan de verdediging te verschaffen. Subsidiair had het O.M. inhoudelijke bezwaren tegen inwilliging van het verzoek. De strafkamer van het hof heeft ten aanzien van het eerste argument geoordeeld dat, voor zover het O.M. geen medewerking verleent, het verzochte onderzoek aan in beslag genomen lichaamsmateriaal slechts kan plaatsvinden door een deskundige in opdracht van het gerechtshof. Vervolgens heeft de strafkamer het inhoudelijke bezwaar van het O.M. tegen inwilliging van het verzoek gevolgd. De strafkamer voegde hieraan toe dat dit onverlet laat, dat het de officier van justitie vrijstaat onverplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek in eigen beheer van de verdachte. De laatstgenoemde overweging is kennelijk door de verdachte beschouwd als een aanknopingspunt om buiten de strafrechtelijke procedure de vordering voor te leggen aan de burgerlijke rechter.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b93dfbaafa9df257fbf46c3c2a4e312ca045673534f15c4a0419bcec4fb4cc75. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b93dfbaafa9df257fbf46c3c2a4e312ca045673534f15c4a0419bcec4fb4cc75, en de alinea staat in dat document op bytes 24702 tot 27212.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b93dfbaafa9df257fbf46c3c2a4e312ca045673534f15c4a0419bcec4fb4cc75 | shasum -a 256