Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018

Onder 3.10 Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:112.

Problematisch aan het oordeel van het hof vind ik dat [verzoeker] in het kader van de goede procesorde krijgt tegengeworpen dat hij in de eerdere procedure “de rechter niet volledig heeft geïnformeerd”, en aldus gehandeld zou hebben in strijd met de waarheidsplicht van art. 21 Rv. Als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de brief over het zijn van ‘good leaver’ inderdaad bestaat, is het echter ABN Amro geweest die de brief heeft achtergehouden en heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht. [verzoeker] heeft in de eerdere procedure van meet af aan melding gemaakt van het bestaan van de brief en verschillende pogingen ondernomen om ABN Amro hierover tot openheid te dwingen. Die pogingen zijn zonder succes geweest. De rechtbank heeft in het vonnis van 20 januari 2010 zijn verzoek om inzage in de brief op grond van art. 843a Rv afgewezen en heeft zijn verzoek om een getuigenverhoor hierover afgewezen omdat hij ‘onvoldoende zou hebben gesteld’. Inderdaad is [verzoeker] hier niet tot het uiterste gegaan: in appel heeft hij niet een herhaald verzoek ex art. 843a Rv gedaan. Zijn bewijsaanbod in hoger beroep achtte het hof kennelijk onvoldoende om hem toe te laten tot bewijslevering over het bestaan van de brief. Maar dat hij niet tot het uiterste is gegaan en niet heeft verklaard door wie hij van het bestaan van de brief op de hoogte was gebracht - naar zijn zeggen omdat hij aan zijn bron vertrouwelijkheid had beloofd - wil nog niet zeggen dat hij in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld. Het is niet híj, maar ABN Amro geweest die stukken heeft achtergehouden (als juist is wat [verzoeker] daarover stelt). Uit de gang van zaken in de eerdere procedure blijkt hoe lastig het kan zijn voor een partij om informatie te achterhalen die in het bewijsdomein ligt van de wederpartij en die door die wederpartij (zo neem ik veronderstellenderwijs aan) wordt achtergehouden. Als een partij daarin niet slaagt omdat de wederpartij consequent volhoudt dat de informatie niet bestaat, staat zij in feite met de rug tegen de muur. Het komt mij merkwaardig voor om die partij dan te verwijten dat in strijd met de waarheidsplicht wordt gehandeld. De klacht van onderdeel 2.4 , die gericht is tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht, acht ik dan ook terecht voorgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d91df4dc40fa2dd6ea45e97df2048b417c119d3b74b3eda523da6a44aa0f871d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d91df4dc40fa2dd6ea45e97df2048b417c119d3b74b3eda523da6a44aa0f871d, en de alinea staat in dat document op bytes 35519 tot 38166.