Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018

Onder 2.64 Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:113.

De kritiek van Forder en Bakker lijkt mij terecht. Weliswaar is de aanwezigheid van family life met degene wiens belangen betrokken zijn in de procedure, op zichzelf niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt (zie onder 2.11); het gaat erom of dit family life – dat immers tot de door art. 798 lid 1 Rv beschermde rechten en verplichtingen behoort – rechtstreeks wordt geraakt door (de beslissing over) het verzoek dat in de procedure wordt beoordeeld. Net als Wesseling-van Gent ben ik van mening dat dat hier het geval was. Het belang van de broer, dus het family life dat hij heeft met zijn broertjes en zusjes, werd rechtstreeks geraakt door de uithuisplaatsing van die broertjes en zusjes. Dat dit belang een rechtstreeks belang was in de zin van art. 798 lid 1 Rv, is nader te onderbouwen met het argument dat dat belang tevens zijn eigen belang was, dat bovendien persoonlijk , objectief bepaalbaar en actueel was en géén afgeleid belang was (de elementen van het zijn van ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van art. 1:2 Awb, zie onder 2.13-2.14). Met betrekking tot dat ‘afgeleide belang’ is in het bijzonder te wijzen op de onder 2.14 besproken rechtspraak, dat als iemand in een zwaarwegend belang is getroffen, zoals een aan het EVRM ontleend fundamenteel recht, terughoudend moet worden omgegaan met het kwalificeren van dit belang als een ‘afgeleid belang’. De gedachte van annotator Wortmann, dat de broer een ‘afgeleid belang’ had in de betekenis die daaraan in het bestuursprocesrecht wordt toegekend en daarom geen belanghebbende kon zijn, deel ik dan ook niet. De overweging in punt 4.3.4 van de beschikking, dat voor de broer geen rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit een beslissing over het ouderlijk gezag over de broertjes en zusjes, lijkt mij eraan voorbij te gaan dat het recht op family life zélf tot de bedoelde ‘rechten en verplichtingen behoort’ en dat dit recht bovendien geraakt wordt door een beslissing over het ouderlijk gezag. Nu bij kinderbeschermingsmaatregelen altijd het belang van het betrokken kind (in deze zaak: de uit huis te plaatsen broertjes en zusjes) voorop dient te staan, had ook met het oog op de bescherming van hún family life , die broer in het besluitvormingsproces moeten worden betrokken. Ook het IVRK vraagt om het centraal stellen van het belang van het kind (zie onder 2.59).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8c5607f20d53b0d2f5b47551ad7f5b2b3750226fe0309a11a6f0b6b6b722a45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8c5607f20d53b0d2f5b47551ad7f5b2b3750226fe0309a11a6f0b6b6b722a45, en de alinea staat in dat document op bytes 112990 tot 115966.