Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018

Onder 3.20. Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1139.

Het oordeel kennelijke onbehoorlijke taakvervulling zou in stand kunnen blijven als de overige door het hof genoemde omstandigheden, zelfstandig of in samenhang bezien, dat oordeel zouden kunnen dragen. Tegen een aantal van deze omstandigheden zijn in de volgende subonderdelen klachten gericht. Als ik het goed zie, zijn geen afzonderlijke klachten gericht tegen onder meer het oordeel in rov. 3.4.6 dat [eiser] zich niet als een zorgvuldig handelend bestuurder heeft gedragen door niet de laatste financiële stand van zaken te verifiëren alvorens het faillissement aan te vragen, het oordeel in rov. 3.4.7 dat niet is gebleken dat [eiser] enig onderzoek heeft uitgevoerd en dat hij (bij [betrokkene 3] ) navraag had kunnen en behoren te doen naar de kwestie-Brazilië en het oordeel in rov. 3.4.9 dat hij ondanks dat hij op de hoogte had moeten zijn van het feit dat hij zelf geld van de vennootschap had ontvangen heeft gepersisteerd in de faillissementsvraag. Het hof verwijt [eiser] dus dat hij voor de behandeling van de faillissementsaanvraag onderzoek had kunnen en moeten doen naar de laatste financiële stand van zaken van de onderneming en dat uit dat onderzoek had moeten blijken dat er geen reden was om de aanvraag door te zetten dan wel dat er reden was om de in de aanvraag verstrekte informatie te herzien. Deze omstandigheden kunnen mijns inziens begrepen worden als onzorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming. Ik stel voorop dat dit verwijt op zichzelf aan kennelijk onbehoorlijk bestuur kan bijdragen. Ik meen echter dat het oordeel kennelijke onbehoorlijke taakvervulling niet in stand kan blijven nu niet is gebleken dat [eiser] bij het aanvragen van het faillissement van de vennootschap en het persisteren bij die aanvraag heeft gehandeld vanuit de (objectieve) wetenschap van benadeling van schuldeisers van de vennootschap (subonderdeel 1.4). Dat laatste is mijns inziens een vereiste voor het aannemen van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cae1f4e53b1f7843b19890d0871f674fef6df7756c9105c641b2e58f17486731. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cae1f4e53b1f7843b19890d0871f674fef6df7756c9105c641b2e58f17486731, en de alinea staat in dat document op bytes 82975 tot 84991.