Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018

Onder 3.2. Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1139.

In de rechtspraak van de Hoge Raad is, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, invulling gegeven aan de maatstaf voor kennelijk onbehoorlijk bestuur. In HR 7 juni 1996 overwoog de Hoge Raad in een procedure op grond van art. 36 lid 3 Iw 1990 dat pas sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur als de bestuurder “heeft gehandeld op een wijze zoals geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben”. Maeijer merkt in zijn noot onder dat arrest op dat deze maatstaf ook geldingskracht heeft voor de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van art. 2:138/248 lid 1 BW. Dat werd onder verwijzing naar het arrest uit 1996 bevestigd in HR 8 juni 2001 en is sindsdien vaste rechtspraak. Deze maatstaf impliceert een hoge drempel voor aansprakelijkheid. De toenmalige minister van Justitie merkte hierover bij de behandeling van de derde antimisbruikwet , op grond waarvan art. 2:248 BW werd ingevoerd, onder meer het volgende op:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cae1f4e53b1f7843b19890d0871f674fef6df7756c9105c641b2e58f17486731. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cae1f4e53b1f7843b19890d0871f674fef6df7756c9105c641b2e58f17486731, en de alinea staat in dat document op bytes 37288 tot 38621.