Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018

Onder 3.5. Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1139.

Als de bestuurder het faillissement van de vennootschap aanvraagt zonder toestemming van de AV of in strijd met de voorwaarden die de AV aan deze toestemming heeft gesteld, vestigt dat in beginsel aansprakelijkheid voor onbehoorlijk bestuur jegens de vennootschap in de zin van art. 2:9 lid 2 BW (ernstig verwijt), door schending door de bestuurder van een (in dat geval wettelijke) bepaling die de vennootschap beoogt te beschermen. Daarmee is niet gezegd dat het aanvragen van het faillissement zonder toestemming in de zin van art. 2:246 BW ook zonder meer leidt tot kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW (niet handelen zoals een redelijk denkend bestuurder onder die omstandigheden zou hebben gehandeld). Indien de bestuurder het faillissement in strijd met art. 2:246 BW aangevraagd zou hebben, impliceert dat nog niet een handeling waarvan uiteindelijk schuldeisers de dupe worden. In de parlementaire geschiedenis wordt dit onderscheid tussen bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW en art. 2:248 BW ook nadrukkelijk door de minister van Justitie onderkend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cae1f4e53b1f7843b19890d0871f674fef6df7756c9105c641b2e58f17486731. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cae1f4e53b1f7843b19890d0871f674fef6df7756c9105c641b2e58f17486731, en de alinea staat in dat document op bytes 48351 tot 49669.