Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 november 2018
Onder 3.8. Parket bij de Hoge Raad 6 november 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1211.
Bij het ‘tenlasteleggen van een bepaald feit’ gaat het, in de woorden van A.J. Machielse, om “het bezoedelen van iemands eer of goede naam door deze persoon in verband te brengen met afkeurenswaardig gedrag”. De Hoge Raad oordeelde in 1991 dat de feitelijke omschrijving van de ‘bepaalde feiten’ waarvan de verdachte het slachtoffer had beschuldigd, luidende “oplichterij, en/of diefstal en/of hoererij en/of het overdragen van een geslachtsziekte”, niet behelst ‘bepaalde feiten’ in de zin van art. 261 Sr. De Hoge Raad vond kennelijk dat de in de tenlastelegging weergegeven beschuldigingen, waaronder de beschuldiging voor ‘oplichterij’, te weinig geconcretiseerd waren om als tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in art. 261 Sr te kunnen worden beschouwd. Toenmalig AG Wortel heeft bepleit dat de alledaagse betekenis van woorden moet uitwijzen of de indruk kan ontstaan dat de beschuldigde van smaad zich daadwerkelijk ernstig heeft misdragen en of aan de eis van voldoende bepaaldheid is voldaan:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/288eef7650409fbbf7b1dee07723bb2a1bed7180c75d411443d3dbe611e4807b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 288eef7650409fbbf7b1dee07723bb2a1bed7180c75d411443d3dbe611e4807b, en de alinea staat in dat document op bytes 16631 tot 17874.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/288eef7650409fbbf7b1dee07723bb2a1bed7180c75d411443d3dbe611e4807b | shasum -a 256