Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 november 2018

Onder 3.15. Parket bij de Hoge Raad 6 november 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1211.

Voor opzet in de zin van art. 261 Sr is niet slechts dan sprake indien bij de verdachte de ‘animus injurandi’ ofwel oogmerk om iemands eer of goede naam aan te randen aanwezig is. Of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld moet blijken uit omstandigheden, die reeds gelegen zijn in de enkele uiting indien deze om haar inhoud en haar vorm sowieso beledigend is; “wie een ander bijvoorbeeld een onmiskenbaar scheldwoord naar het hoofd slingert kan alleen dan niet als belediger beschouwd worden wanneer hij óf de betekenis van het woord niet begrijpt, óf slechts in scherts spreekt”. Voldoende is dus het besef dat beschuldigingen, objectief beschouwd, beledigend of krenkend zijn. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat de verdachte door het op Facebook plaatsen van het bewezenverklaarde bericht – inhoudende kort gezegd dat de aangeefster een oplichter is - opzettelijk de eer of goede naam van de aangeefster heeft aangerand, toereikend gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/288eef7650409fbbf7b1dee07723bb2a1bed7180c75d411443d3dbe611e4807b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 288eef7650409fbbf7b1dee07723bb2a1bed7180c75d411443d3dbe611e4807b, en de alinea staat in dat document op bytes 23473 tot 24619.