Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 november 2018
Onder 2.3. Parket bij de Hoge Raad 2 november 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1221.
Alvorens toe te komen aan de beoordeling van het incidentele verzoek maak ik enkele inleidende opmerkingen over de strekking van art. 224 lid 1 Rv. De gedachte achter de zekerheidstelling voor proceskosten - nog steeds vaak aangeduid als de cautio judicatum solvi - is bescherming te bieden tegen de situatie dat verhaal van een proceskostenveroordeling op een buitenlandse eiser zeer moeilijk of onmogelijk is. De bepaling kent al een lange historie in het Nederlandse burgerlijk procesrecht. De bepaling van het huidige art. 224 Rv was voorheen geregeld in art. 152 en 153 Rv (oud), welke bepalingen op hun beurt weer vrijwel letterlijk ontleend waren aan art. 166 en 167 van de toenmalige Code de Procédure Civil. Volgens Van den Honert meende de regering indertijd dat het “in een commercieel land van het grootste belang was om de ingezetenen voor processen van kwelzieke vreemdelingen te waarborgen”. Ook De Pinto heeft het doel van de zekerheidstelling voor proceskosten later in dergelijke bewoordingen omschreven:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/47406842130a223b40bb1723c60a7f02676a73e96032ebf68c8237bdf5f02ec3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 47406842130a223b40bb1723c60a7f02676a73e96032ebf68c8237bdf5f02ec3, en de alinea staat in dat document op bytes 15538 tot 16870.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/47406842130a223b40bb1723c60a7f02676a73e96032ebf68c8237bdf5f02ec3 | shasum -a 256