Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2018

Onder 5.17 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1273.

Deze klacht, die in zekere zin het spiegelbeeld is van onderdeel IV in het principale cassatieberoep, slaagt niet. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat alle chatberichten vanaf 2003 tot aan het einde van de relatie tussen partijen door [verweerster] aan [verzoeker] zijn verstrekt, maar geoordeeld dat [verzoeker] verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens niet voldeed aan de doelstelling van art. 35 Wbp. [verzoeker] is in hoger beroep tegen dat oordeel opgekomen. Het hof heeft hem op dat punt (geen misbruik) gevolgd (zie rov. 7.) Op grond van de devolutieve werking van het appel diende het hof vervolgens te beoordelen of het verzoek van [verzoeker] gegrond was. Daartoe diende het hof een oordeel te geven over elk van de onderdelen A-D van dat verzoek, ook voor zover het verzoek van [verzoeker] betrekking had op de chatberichten. Dat is precies wat het hof heeft gedaan (rov. 14). Grond om aan te nemen dat het hof dat niet had mogen doen, zoals [verweerster] stelt, is er niet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4254a67f15b82ca5c7b54949a41fe405d381e6ef345fa77bf70e258d1c3da4c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4254a67f15b82ca5c7b54949a41fe405d381e6ef345fa77bf70e258d1c3da4c1, en de alinea staat in dat document op bytes 119126 tot 120132.