Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2018

Onder 4.25 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1295.

Het is vervolgens de vraag hoe een en ander zich verhoudt tot art. 6:106 BW. Naar het oordeel van Lindenbergh, en ik ben geneigd hem bij te vallen, valt dit regime in te passen in het systeem van art. 6:106 BW; aan te nemen valt immers dat sprake is van een aantasting in de persoon “op andere wijze” in de zin van art. 6:106 lid 1 onder b BW. Het bijzondere van deze categorie is dan wel, en ook daarvoor laat art. 6:106 lid 1 onder b BW ruimte, dat frustratie, ergernis en dergelijke worden verondersteld, zodat degene die aanspraak maakt op vergoeding op dit punt geen stelplicht heeft. Tegelijkertijd, en dat is wat mij betreft geen toeval, is de omvang van de eventuele vergoeding beperkt: het gaat om betrekkelijk lage en bovendien forfaitaire bedragen. Dit gegeven is niet onbelangrijk: het ene fundamenteel recht is het andere niet en de ene schending is de andere weer niet. Dat dat consequenties heeft voor de omvang van een eventuele vergoeding of zelfs voor het recht op vergoeding als zodanig (bij een geringe overschrijding volstaat immers het constateren van de overschrijding) en (mede) daarom ook voor de stelplicht van degene die aanspraak maakt op smartengeld ligt voor de hand (hierna randnummer 4.54).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed1032c01b0bcf0540f804588bd785e363f8ad274e006ba728832f69fd6412fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed1032c01b0bcf0540f804588bd785e363f8ad274e006ba728832f69fd6412fd, en de alinea staat in dat document op bytes 69832 tot 71135.