Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2018

Onder 4.5 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1295.

De sanctionering van rechten en plichten is natuurlijk niet het exclusieve domein van het smartengeld. Het is veeleer zo dat (het recht op) smartengeld hier een bijrol, zij het een niet onbelangrijke, speelt in het theater van het aansprakelijkheidsrecht. Daarom wordt hierna eerst iets gezegd over de sanctionering van rechten en plichten in het aansprakelijkheidsrecht. Vervolgens wordt aandacht besteed aan het recht op smartengeld en het systeem van de wet op dat punt, de uitbreiding die in de rechtspraak aan de orde is onder de noemer van de aantasting in de persoon “op andere wijze” en het betrekkelijke belang van geestelijk letsel in dit verband. Deze uitbreiding maakt een instrumentele inzet van het recht op smartengeld mogelijk. Uiteindelijk is zo erkend dat enkele schending van een fundamenteel recht reeds schade kan zijn en dat niet pas van schade sprake is als de schending nadelige gevolgen heeft gehad. Zonder problemen is deze ontwikkeling niet. Zo geeft zij aanleiding tot allerlei vragen zoals de vraag hoe de omvang van het smartengeld moet worden bepaald en de vraag of een recht op vergoeding van overige (vermogens- of immateriële) schade niet de meerwaarde van smartengeld wegens schending van het betrokken fundamenteel recht als zodanig wegneemt. In dit verband volgt een korte beschouwing over de vraag wat de sanctionering in het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht moet inhouden: is schadevergoeding al dan niet bestaande in smartengeld steeds noodzakelijk of kan het constateren van de schending in de vorm van een verklaring voor recht al genoeg(doening) zijn? Uiteindelijk is hier de conclusie, mede gelet op ontwikkelingen in rechtspraak van zowel het EHRM als Uw Raad, dat van een eenduidige strakke aanpak geen sprake kan zijn, maar dat variatie en nuancering bij de sanctionering de voorkeur verdienen. De brug naar paragraaf 5. wordt daarna geslagen met een bespreking van het Blauw oog -arrest. Geeft dat de stand van ons recht nu juist weer of is het te beperkt geformuleerd en zit het verdere ontwikkeling mogelijk in de weg? Vlak voor aanvang van paragraaf 5. zijn de brede beschouwingen uit het begin van paragraaf 4. steeds verder versmald en keren we terug naar de zaak in de vorm van een tussenbalans (hierna randnummers 4.55 e.v.).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed1032c01b0bcf0540f804588bd785e363f8ad274e006ba728832f69fd6412fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed1032c01b0bcf0540f804588bd785e363f8ad274e006ba728832f69fd6412fd, en de alinea staat in dat document op bytes 43398 tot 45743.