Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 november 2018

Onder 7.1 Parket bij de Hoge Raad 23 november 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1315.

“In het kader van de maatregelen die zijn getroffen om de zogeheten dividendstrippings-mogelijkheden te beperken, dient de opbrengstgerechtigde tevens als de uiteindelijk gerechtigde (in de zin van art. 4 lid 7) te worden aangemerkt om in aanmerking te komen voor bepaalde faciliteiten; zie Div.bel.2.2.0 hierna. Is dat niet het geval, dan wordt degene aan wie het dividend is betaald wel als opbrengstgerechtigde en daarmee als subjectief belastingplichtige voor de toepassing van de Div.bel. beschouwd, maar komt hij niet in aanmerking voor een beperking dan wel vrijstelling van de te heffen Div.bel. Alsdan kan bijvoorbeeld de inhouding van Div.bel. op grond van art. 4 lid 1 Wet DB 1965 niet achterwege blijven. Evenmin kan ex art. 10 lid 1 of 2 Wet DB 1965 de teruggaaf van Div.bel. achterwege worden gelaten, noch kan een vermindering of teruggave van Div.bel. op grond van een belastingverdrag of de BRK worden verkregen (uit hoofde van art. 9.2 lid 2 Wet IB 2001 of art. 25 lid 2 Wet VPB 1969 kan de ingehouden Div.bel. evenmin worden verrekend met de aanslag IB of Vpb.).”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/24d60f52fd35988647e0e218437aac3242064d7a22bb9dbb84abe86928f59dbb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 24d60f52fd35988647e0e218437aac3242064d7a22bb9dbb84abe86928f59dbb, en de alinea staat in dat document op bytes 107828 tot 108927.