Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2018

Onder 2.11 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1358.

Zoals hiervoor uit de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 8 juli 2016 volgt, is de toets wie de feitelijke financier is bij een parallelle externe financiering dezelfde als de toets wie de feitelijke financier is bij de toepassing van artikel 10a, lid 3, onderdeel b, Wet VpB 1969. Kortom, als het Hof hier inderdaad bedoelt dat volledige parallelliteit een voorwaarde is voor de bepaling van de feitelijke financier bij een uiteindelijke externe financiering, zou dat ook hebben te gelden voor de feitelijke financier bij de compenserende heffing. Dit zou dan wel weer in overeenstemming zijn met de uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling bij de Wet werken aan winst inzake de compenserende heffing, op grond waarvan niet werd vereist dat de ontvangst van de rentebetaling daadwerkelijk tot belastingheffing leidt indien tegenover de rentebaten rentelasten staan, tenzij de directe crediteur fungeerde als doorgeefluik. Alleen in dat laatste geval moest de compenserende heffing wel in een volgende schakel worden beoordeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bdcae8a0a927e21d749b7af180e808817203573b12dc85b6a8007f832e4f6543. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bdcae8a0a927e21d749b7af180e808817203573b12dc85b6a8007f832e4f6543, en de alinea staat in dat document op bytes 74555 tot 75616.