Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2018
Onder 5.3 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1361.
Dat de kennelijke bedoeling om art. 7:673 lid 1 onder b (oud) BW volledig te handhaven niet op een logische wijze uit de wettekst- en systematiek van art. 7:668a BW is af te leiden, wordt geïllustreerd door de in mijn conclusie van 6 juli 2018 onder nr. 3.18 aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 november 2011. In die zaak ging het over de berekening van de fictieve opzegtermijn; dat is de termijn die door het UWV wordt gehanteerd om te bepalen vanaf welk moment aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV had zich, in een situatie van opvolgend werkgeverschap, waarbij de opvolgende, laatste arbeidsovereenkomst van de werknemer was aangegaan voor onbepaalde tijd, voor de berekening van de fictieve opzegtermijn beroepen op art. 7:668a lid 2 BW. De CRvB ging echter niet mee in dit betoog van het UWV en overwoog daartoe het volgende (mijn onderstreping):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aed225c8537737f27fdf2bb19d31fc72e5a189e3b376dc17578de922ebf09257. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aed225c8537737f27fdf2bb19d31fc72e5a189e3b376dc17578de922ebf09257, en de alinea staat in dat document op bytes 109474 tot 110575.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aed225c8537737f27fdf2bb19d31fc72e5a189e3b376dc17578de922ebf09257 | shasum -a 256