Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2018
Onder 2.12 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1424.
Met betrekking tot de verjaring van de mogelijkheid tot invordering van bestuursrechtelijke geldschulden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn in de leden 1 en 2 van art. 4:105 Awb stuitingsgronden opgenomen die gelijk zijn aan die van art. 3:316 en 3:318 BW (daad van rechtsvervolging en erkenning). Art. 4:106 Awb bevat daarnaast het voorschrift dat het bestuursorgaan de verjaring ook kan stuiten door een aanmaning als bedoeld in art. 4:112 Awb, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. De wetgever heeft daarbij gekozen voor een beperking van de vóór de invoering van de vierde tranche bestaande mogelijkheid dat het bestuursorgaan de verjaring kan stuiten door middel van een schriftelijke mededeling waarin het bestuursorgaan zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt. De schuldeiser van het bestuursorgaan heeft deze stuitingsgrond (die correspondeert met art. 3:317 BW) wel tot zijn beschikking .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fda65a08a8599051d4d03bb9ffc6717a17f76aee76da7e581cbaa82d1396295a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fda65a08a8599051d4d03bb9ffc6717a17f76aee76da7e581cbaa82d1396295a, en de alinea staat in dat document op bytes 25336 tot 26471.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fda65a08a8599051d4d03bb9ffc6717a17f76aee76da7e581cbaa82d1396295a | shasum -a 256