Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2018

Onder 3.7. Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1428.

De klacht faalt, omdat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het antwoord op de vraag of sprake is van een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW (in het voldoen aan de verplichtingen uit art. 2:10 (de administratieplicht) of art. 2:394 BW (de publicatieplicht)), hangt, indien het gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten. Het hof heeft dit expliciet als juridisch uitgangspunt genomen (zie rov. 3.4.1. van het bestreden arrest). De afweging die het hof vervolgens heeft gemaakt, geeft geen blijk van miskenning van dit uitgangspunt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c326e970cda2a0fe4490c433dcac0f3ed760202fba2196dfd27dc37d3e33783e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c326e970cda2a0fe4490c433dcac0f3ed760202fba2196dfd27dc37d3e33783e, en de alinea staat in dat document op bytes 45920 tot 46974.