Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 december 2018

Onder 3.26. Parket bij de Hoge Raad 21 december 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1513.

Met Hermans zou ik er overigens wel voor willen pleiten dat het hof en de ondernemingskamer de onderzoeksopdracht zo specifiek als in de gegeven omstandigheden mogelijk is te formuleren. Dat, zoals in ’s hofs benadering in de onderhavige beschikking, uitdrukkelijk wordt bepaald dat een onderzoeker een bepaald verwijt waarvan in het midden is gelaten of het een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid oplevert, in het onderzoek kan betrekken, lijkt mij in dat opzicht een goede ontwikkeling. In de onderhavige casus is het mijns inziens ook goed te begrijpen dat het hof in de eerstefasebeschikking heeft overwogen dat de onderzoeker ook de bezwaren genoemd in rov. 2.9-2.10 in het onderzoek kan betrekken. In het dictum heeft het hof beslist dat in het te bevelen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken “nadruk op de gang van zaken rondom de aandelenemissies in 2010” dient te liggen. Dat is in lijn met “de centrale klacht van Bab” (rov. 2.6) op grond waarvan het hof in rov. 2.5 en 2.7 aanneemt dat voldoende is gebleken van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid ingevolge art. 2:274 lid 1 BWC. Deze centrale klacht houdt volgens het hof in: “dat (MHS als meerderheidsaandeelhouder het ertoe heeft geleid en de bestuurder Intertrust niet heeft verhinderd dat) het aandelenbelang van Bab nodeloos is verwaterd doordat bij de emissies in 2010 de aandelen ten onrechte en in strijd met artikel 2:7 BW zijn uitgegeven tegen de nominale waarde zonder dat er een objectieve waardering is uitgevoerd terwijl er voldoende indicaties zijn dat de marktwaarde aanzienlijk hoger (…) lag dan de nominale waarde.” De kwesties genoemd in rov. 2.9-2.10 houden mijns inziens nauw verband met deze centrale klacht. De bezwaren van Bab zien op de wijze waarop binnen Cordial en Turnham door bestuurder Intertrust en meerderheidsaandeelhouder MHS wordt omgesprongen met het belang van Bab als minderheidsaandeelhouder. Dat sluit aan bij de strekking van het enquêterecht, dat blijkens de aangehaalde wetsgeschiedenis (nr. 3.9 hiervoor) “in de eerste plaats [was] bedoeld een minderheid van aandeelhouders (…) te beschermen tegen een gebrek aan openheid en een onbevredigende gang van zaken.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/17e5b5ee2e753e99fbc37b3429cdce906745930d5dd10d1fefa7730ef77708c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 17e5b5ee2e753e99fbc37b3429cdce906745930d5dd10d1fefa7730ef77708c1, en de alinea staat in dat document op bytes 74203 tot 76637.