Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 december 2018
Onder 3.5. Parket bij de Hoge Raad 21 december 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1513.
In het cassatieverzoekschrift wordt onder randnummer 19 sub f verwezen naar de zogenoemde mini-enquête van art. 2:54 e.v. BW-NA (oud), de voorloper van het Curaçaose enquêterecht die uitsluitend gold voor de stichting en de stichting particulier fonds. De mini-enquête trad in werking per 1 maart 2004 en is afgeschaft bij gelegenheid van de invoering van de algemene wettelijke enquêteregeling per 1 januari 2012. Voor de mini-enquête gold ook het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking. In art. 37n van Titel 2A Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek uit 2004 was echter een specifieke overgangsbepaling opgenomen die luidde dat “[b]ij de toepassing van artikel 55, eerste lid, onder b, [ontslag van een stichtingsbestuurder die zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur, A-G] slechts in aanmerking [wordt] genomen het onbehoorlijk bestuur dat plaatsvond na het in werking treden van Boek 2”. Bij de mini-enquête bleven anterieure feiten dus buiten beschouwing bij het verbinden van de sanctie van ontslag van de stichtingsbestuurder die zich schuldig had gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. De specifieke uitzondering van art. 37n gold niet voor het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de stichting in de zin van art. 2:54 BW-NA (oud). Een overgangsrechtelijke bepaling vergelijkbaar met artikel 37n voor de mini-enquête ontbreekt bij de invoering van het algemene enquêterecht per 1 januari 2012. Het hof kwam in rov. 4.1.8 van zijn beschikking van 13 juni 2017 “op grond van een enquêterechtelijke variant van het in het strafrecht bekende legaliteitsbeginsel” echter tot eenzelfde resultaat als bij art. 37n voor de mini-enquête door wel wanbeleid vast te stellen en daarvoor verantwoordelijke personen aan te wijzen maar “niet op grond van uitsluitend die [anterieure, A-G] feiten ten nadele van die personen voorzieningen te treffen als bedoeld in art. [2:]282 lid 3 jo. 283 BW[C]”. De opmerking in het onderhavige cassatieverzoekschrift onder randnummer 19 sub f dat het aannemen van onmiddellijke werking - en daarmee het toepassen van de huidige enquêteregeling van 2:270-286 BWC mede op anterieure feiten - zou leiden tot “een diepe breuk” met het overgangsrechtelijke regime van de mini-enquête als voorloper van de huidige enquêteregeling, kan ik tegen deze achtergrond niet goed plaatsen. Die breuk werd door de toepassing die het hof gaf aan de enquêterechtelijke variant van het legaliteitsbeginsel juist sterk gemitigeerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/17e5b5ee2e753e99fbc37b3429cdce906745930d5dd10d1fefa7730ef77708c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 17e5b5ee2e753e99fbc37b3429cdce906745930d5dd10d1fefa7730ef77708c1, en de alinea staat in dat document op bytes 23476 tot 26297.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/17e5b5ee2e753e99fbc37b3429cdce906745930d5dd10d1fefa7730ef77708c1 | shasum -a 256