Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2018

Onder 2.1 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:152.

“2.3. [verweerster 1] heeft door op en boven de strook te bouwen een inbreuk gemaakt op het recht van erfpacht van [verzoekster] . In beginsel is de erfpachter in een zodanige situatie bevoegd een vordering in te stellen die ertoe strekt om aan de onrechtmatige toestand een einde te maken. [verweerster 1] heeft zich verzet tegen afbraak van het door haar gebouwde op en boven de strook omdat afbraak niet te rechtvaardigen is (memorie van grieven, grief 4) en voor haar disproportioneel en onevenredig nadelig is (punt 4 van het pleidooi van 13 maart 2015 in zaaknr. H 412/14). Tijdens de descente heeft de gemachtigde van [verweerster 1] herhaald dat afbraak van het gebouwde onredelijk is. Met aanvulling van rechtsgronden vat het Hof deze stelling van [verweerster 1] aldus op dat zij een beroep doet op het bepaalde in art. 3:13 lid 2 BW, voor zover daarin is bepaald dat een bevoegdheid kan worden misbruikt indien men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot deze uitoefening had kunnen komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a1e81ccfaa52746d8519c49819047fcc2ccd9082fb7f82a6b41663af4b55bc84. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a1e81ccfaa52746d8519c49819047fcc2ccd9082fb7f82a6b41663af4b55bc84, en de alinea staat in dat document op bytes 17408 tot 18532.