Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2018

Onder 4.7 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:157.

De fiscale gevolgen zijn anders in situaties waarin inbreuk wordt gemaakt op hetgeen ten tijde van de premie-aftrek was overeengekomen. Dit zijn situaties waarin een zodanige wijziging wordt aangebracht in de vorm van het contract of in de verzekeraar daarvan dat daarmee wordt getreden buiten de typen onderhoudsvoorzieningen of buiten de kring van toegestane verzekeraars van artikel 45 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ook een situatie van afkoop, vervreemding of belening valt daaronder. De gevolgen die worden verbonden aan het niet overeenkomstig de voorwaarden uitvoering geven aan het contract houden in dat de in het verleden - naar achteraf blijkt ten onrechte - aan het contract gegeven fiscale behandeling (de premie-aftrek) wordt teruggedraaid en voorts dat het door de fiscus als gevolg van het belastinguitstel geleden rente-nadeel wordt vergoed. Voor het eerste aspect worden de zogenaamde fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen geïntroduceerd: de premie-aftrek wordt teruggenomen (artikel 45a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, artikel I, onderdeel W). Met het oog op het tweede aspect wordt voorgesteld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen een bepaling op te nemen op grond waarvan het door de fiscus geleden rentenadeel als gevolg van het belastinguitstel dat samenhangt met de in het verleden verleende premie-aftrek aan de belastingplichtige in rekening wordt gebracht (de zogenoemde revisierente; zie het voorgestelde artikel 30d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel IV, onderdeel B). In afwijking van de regeling van het voorontwerp, ingevolge welke de verzekeraar een rentevergoeding was verschuldigd van 25% van de waarde van de aanspraak, is in de onderhavige regeling meer aansluiting gezocht bij het bedrag van de heffingsrente die de belastingplichtige zou zijn verschuldigd indien de premie-aftrek ongedaan zou kunnen worden gemaakt door navorderingsaanslagen. Bij de benadering van de omvang van die heffingsrente is een plafond aangebracht; de revisierente, als benadering van de heffingsrente, is gemaximeerd op 20% van de waarde van de aanspraak. Om doelmatigheidsredenen is de regeling als volgt vormgegeven. De revisierente wordt in beginsel gesteld op 20% van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak ten tijde van de handeling in strijd met de voorwaarden. Voor bepaalde situaties is een tegenbewijsregeling opgenomen. In de gevallen waarin de fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen worden geconstateerd binnen tien jaren nadat de aanspraak op periodieke uitkeringen is bedongen, kan aannemelijk worden gemaakt dat de revisierente minder dient te bedragen dan 20% van de waarde van de aanspraak, namelijk het bedrag dat aan heffingsrente zou zijn verschuldigd indien de premie-aftrek ongedaan zou kunnen zijn gemaakt door het opleggen van navorderingsaanslagen. Aan de kritiek die op de regeling van het voorontwerp is geuit, hebben wij aldus gehoor gegeven. Als sluitstuk van de regelgeving die erop is gericht het belang van de fiscus veilig te stellen in de situatie dat een belastingplichtige handelt in strijd met de voorwaarden voor de premie-aftrek, wordt de verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de belasting die door een belastingplichtige meer is verschuldigd als gevolg van het bij hem in aanmerking nemen van fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen (…).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1fbdacd1cb8457166b3277fb874fd96c992b6637b04b3ca8a8f84cad7afffceb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1fbdacd1cb8457166b3277fb874fd96c992b6637b04b3ca8a8f84cad7afffceb, en de alinea staat in dat document op bytes 42763 tot 46171.