Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018

Onder 2.9.7 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:161.

[verzoekers] doet nog een beroep op HR 10 maart 1843 W. 384. Dit betrof een possessoir geding. Uw Raad oordeelde dat art. 576 BW geen wettelijk bezitsvermoeden ten gunste van de staat behelst, maar uitsluitend bepaalt wie eigenaar is van “onroerende goederen die onbeheerd zijn”. Art. 576 is volgens Uw Raad niet van toepassing, nu (i) het geschil niet de eigendom, maar het bezit betreft, en (ii) “in facto is beslist dat verweerders zijn in het bezit der gronden in verschil, en (...) dezelve alzoo tevens niet zijn onbeheerd.” In de literatuur wordt dit laatste, als louter taalkundig aangemerkte, argument bestempeld als historisch onjuist, waarbij er op wordt gewezen dat in art. 713 CC ‘les biens qui n’ont pas de maître’ hetzelfde betekent als in art. 539 CC (ons art. 576 BW) ‘les biens vacants et sans maître.’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3f0d6be440e1646ab3bd30da35d555fd03ad6610bfc7ff9211f92e2f546cef99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3f0d6be440e1646ab3bd30da35d555fd03ad6610bfc7ff9211f92e2f546cef99, en de alinea staat in dat document op bytes 43591 tot 44520.