Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018
Onder 2.39 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:161.
“3.3.2 (...) Uit art. 3:107 lid 1 BW in verbinding met art. 3:108 BW volgt dat de vraag of iemand bezitter is, moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de daaropvolgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3f0d6be440e1646ab3bd30da35d555fd03ad6610bfc7ff9211f92e2f546cef99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3f0d6be440e1646ab3bd30da35d555fd03ad6610bfc7ff9211f92e2f546cef99, en de alinea staat in dat document op bytes 77268 tot 77772.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3f0d6be440e1646ab3bd30da35d555fd03ad6610bfc7ff9211f92e2f546cef99 | shasum -a 256