Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018

Onder 2.60 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:162.

Een tweede uitspraak van de Hoge Raad had betrekking op de ondertoezichtstelling van een minderjarige. Hier ging het om een moeder die was belast met het eenhoofdig gezag over een in 2010 geboren minderjarige. De vader had de minderjarige erkend. De relatie tussen de ouders was verbroken in 2013. Vervolgens is de minderjarige op verzoek van de raad voor de kinderbescherming onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg. Op verzoek van Bureau Jeugdzorg is de ondertoezichtstelling verlengd. De niet met het gezag belaste vader heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het hof heeft, in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep, aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of de ouder zonder gezag in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling, als belanghebbende dient te worden aangemerkt, indien het verzoek tot (de verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem/haar afkomstig is. De Hoge Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb6b626e9768fe51a36c974d5b381b7c9ad4b378aa3dd5190589ead8f34a58cf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb6b626e9768fe51a36c974d5b381b7c9ad4b378aa3dd5190589ead8f34a58cf, en de alinea staat in dat document op bytes 106691 tot 107858.