Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018
Onder 3.11 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:162.
Vóór deze uitleg – dus dat ook anderen dan de pleegouder onder het bereik van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv vallen en het bereik van de tweede volzin zich daarmee niet beperkt tot pleegouders – pleit bovendien dat bij een andere uitleg pleegouders een sterkere processuele positie zouden hebben dan andere ‘niet-ouders’, zoals een biologische ouder zonder juridisch ouderschap die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Dat is een ongewenste situatie, zeker in het licht van art. 8 EVRM en de daaruit voortvloeiende verplichting om voldoende procedurele waarborgen te bieden aan ouders in zaken waarin kinderbeschermingsmaatregelen worden genomen (zie onder 2.41-2.45). Die verplichting geldt ten opzichte van alle ouders , mits zij family life met het kind hebben (zie onder 2.46).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb6b626e9768fe51a36c974d5b381b7c9ad4b378aa3dd5190589ead8f34a58cf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb6b626e9768fe51a36c974d5b381b7c9ad4b378aa3dd5190589ead8f34a58cf, en de alinea staat in dat document op bytes 151301 tot 152207.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eb6b626e9768fe51a36c974d5b381b7c9ad4b378aa3dd5190589ead8f34a58cf | shasum -a 256