Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2018
Alinea 127 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:189.
10. De vraag is vervolgens welke andere eisen aan het bewijs van het hier bedoelde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen (moeten) worden gesteld ingeval het medeplegen ervan bewezen is verklaard. Mijn ambtgenoot Knigge betoogde in zijn conclusie voor HR 30 augustus 2016 “ dat ‘meerplegerschap’ niet zonder meer voldoende is om medeplegen aan te nemen. Het enkele feit dat meer personen ieder voor zich de gehele delictsomschrijving vervullen, maakt hen dus niet tot medeplegers. Nodig daarvoor is een nauwe en bewuste samenwerking. Toegespitst op het opzettelijk aanwezig hebben van drugs betekent dit dat, als twee personen onafhankelijk van elkaar weten dat een derde (of één van hun tweeën) drugs in hun gezamenlijke woning verbergt, beiden zijn aan te merken als plegers van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, maar niet als medeplegers van dat feit. Voor dat laatste lijkt een vorm van gezamenlijke machtsuitoefening te zijn vereist. ” Gelet op de hiermee harmoniërende bewoordingen, vermoed ik dat het gerechtshof in het bestreden arrest bij deze beschouwingen heeft willen aanhaken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fbb3744f99923badc2037eb050fbbeb902790447b769d99a01c1789bb1daab1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fbb3744f99923badc2037eb050fbbeb902790447b769d99a01c1789bb1daab1, en de alinea staat in dat document op bytes 32223 tot 33470.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3fbb3744f99923badc2037eb050fbbeb902790447b769d99a01c1789bb1daab1 | shasum -a 256