Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2018
Alinea 128 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:189.
11. Wat – ingeval meer personen ieder voor zich de gehele delictsomschrijving vervullen – onder een vorm van ‘gezamenlijke machtsuitoefening’ moet worden verstaan blijft nochtans in het ongewisse. Een nauwe en bewuste samenwerking bij de machtsuitoefening over verdovende middelen zal in ieder geval vergen dat de (mede)dader zich niet alleen bewust is van de aanwezigheid van de verdovende middelen waartoe hij in een zekere machtsrelatie staat, maar ook (1) dat zulks voor de andere mededaders ieder voor zich eveneens geldt, én (2) dat de mededaders zich over en weer bewust zijn van die bewustheid bij de ander(en). Het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben vereist dus ten minste (de vaststelling van) een ‘tezamen afweten’ van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Indien de mededaders daarover niets (willen) verklaren kan dergelijke wetenschap eventueel met toepassing van algemene ervaringsregels uit de omstandigheden van het geval worden afgeleid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fbb3744f99923badc2037eb050fbbeb902790447b769d99a01c1789bb1daab1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fbb3744f99923badc2037eb050fbbeb902790447b769d99a01c1789bb1daab1, en de alinea staat in dat document op bytes 33490 tot 34555.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3fbb3744f99923badc2037eb050fbbeb902790447b769d99a01c1789bb1daab1 | shasum -a 256