Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Onder 6.34 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:205.

Sinds de arresten van 5 januari 2001 wordt het criterium ‘roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien’ – in de context van ladingdiefstal – als volgt uitgelegd. Van gedrag, dat als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien moet worden aangemerkt, is sprake, wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden. In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen (i) het objectieve deelcriterium dat de kans op verwezenlijking van het gevaar groter is dan de kans dat het gevaar zich niet zal verwezenlijken, (ii) het subjectieve deelcriterium dat de handelende of nalatende persoon zich daarvan bewust is en (iii) de omstandigheid dat deze persoon zich desalniettemin niet van zijn gevaarzettende gedrag laat weerhouden. Uit het arrest [C] /AIG (2009) volgt dat de subjectieve wetenschap kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden. In 2012 hanteerde Uw Raad – nog steeds in de context van ladingdiefstal – dezelfde uitleg van het criterium als in 2001. In de literatuur is, onder meer door Claringbould, kritiek geleverd op de strengheid van het objectieve deelcriterium. Claringbould wijst op zaken waarin schade het gevolg is van het negeren van aanwijzingen over de vaarroute in verband met ondiepte of wrakken. Volgens de advocaten zou hetzelfde gelden voor het inzetten van een vervoermiddel voor een bepaald gebruik in de wetenschap dat het vervoermiddel voor dat gebruik niet (zonder verdere maatregelen) geschikt is. Zodanig gebruik kan één of meer keren goed gaan, maar zal uiteindelijk verkeerd aflopen. In dergelijke gevallen zou moeten worden onderzocht of sprake is van roekeloosheid met de wetenschap dat schade waarschijnlijk is. De door het hof in de zaak [betrokkene 1] gehanteerde uitleg van art. 8:1064 BW zou daarom de juiste zijn voor gevallen als de onderhavige, waar sprake is van een vaststaand gevaar, dat inherent is aan (een bepaald gebruik van) het vervoermiddel, en waarvan waarschijnlijk is dat het zich zal verwezenlijken, maar onzeker is op welk moment dat gebeurt. De advocaten hebben verwezen naar vindplaatsen in hun processtukken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5829c5c9391ffc07d1bf20ed4fe614a41888360c8db7bd5ec73682f4122a26b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5829c5c9391ffc07d1bf20ed4fe614a41888360c8db7bd5ec73682f4122a26b, en de alinea staat in dat document op bytes 176977 tot 179556.