Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Onder 7.4 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:205.

Verder zou het hof zijn uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting met zijn overweging in rov. 3.12 dat niet kan worden geconcludeerd dat het ontbreken van de grief tot schade heeft geleid. Het hof zou daarmee hebben miskend dat in de onderhavige procedure aannemelijk moet zijn dat het hof in de [betrokkene 1] -procedure, na het slagen van de grief over [betrokkene 2] , had geconcludeerd dat er geen sprake was van bewuste roekeloosheid. Gelet daarop zou het hof in rov. 3.12 van zijn bestreden arrest, door zijn overweging dat bepaald niet vaststaat dat het hof in de [betrokkene 1] -zaak niet had geconcludeerd dat [verweerster] niet bewust roekeloos heeft gehandeld, te strenge eisen hebben gesteld aan de stelplicht van [verweerster] . Bovendien zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de overweging in rov. 3.11 dat in de [betrokkene 1] -procedure het handelen van [betrokkene 2] bepalend is geweest voor het oordeel van de rechtbank en het hof.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5829c5c9391ffc07d1bf20ed4fe614a41888360c8db7bd5ec73682f4122a26b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5829c5c9391ffc07d1bf20ed4fe614a41888360c8db7bd5ec73682f4122a26b, en de alinea staat in dat document op bytes 209110 tot 210126.