Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Onder 2.11 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:206.

Onder oud recht gold de – thans vervallen – bepaling van art. 1885 BW, waarin was opgenomen: “ De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van den schuldeischer, niet meer treden kan in de regten, hypotheken en voorregten van dien schuldeischer .” Deze bepaling bevrijdde de borg derhalve van zijn verbintenis, zoals ook de ontbinding van de borgtochtovereenkomst dat doet, hoewel in de jurisprudentie uitdrukkelijk was bepaald dat geen sprake kon zijn van een vordering tot ontbinding (waarbij in beginsel immers alle verbintenissen komen te vervallen). Zij werd in diezelfde jurisprudentie ook toegepast bij schending van andere verplichtingen door de schuldeiser, maar werd tevens – voor alle gevallen – aldus uitgelegd, dat die bevrijding slechts plaatsvond voor zover de borg door toedoen van de schuldeiser nadeel had geleden, en dat de borg (ook) niet door ontbinding te vorderen in verdergaande mate kon worden bevrijd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d, en de alinea staat in dat document op bytes 41102 tot 42155.