Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Onder 2.12 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:206.

Onder huidig recht bestaat geen tegenhanger van art. 1885 BW (oud). Het aan deze bepaling ten grondslag liggende beginsel komt wel tot uitdrukking in art. 6:154 BW, dat – niet alleen jegens borgen, maar jegens een ieder die, zo hij de vordering voldoet, zal worden gesubrogeerd – bepaalt dat de schuldeiser verplicht is zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van deze afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag verwachten krachtens de subrogatie te zullen treden. Schending daarvan leidt echter, conform de bedoeling van de wetgever, tot een vordering tot schadevergoeding indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming , maar leidt er (ook en nog steeds) niet toe dat een overeenkomst tot borgtocht kan worden ontbonden. Ook die schadevergoeding dekt, logischerwijs, alleen het nadeel dat de borg door toedoen van de schuldeiser, voor zover toerekenbaar, heeft geleden. Het nieuwe recht leidt dus tot vergelijkbare resultaten. Het verschil zit (slechts) in de vereiste toerekenbaarheid van het handelen van de schuldeiser.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d, en de alinea staat in dat document op bytes 42235 tot 43546.