Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018
Onder 2.20 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:206.
Ten aanzien van de tweede mogelijkheid en/of meer in het algemeen heeft het hof nog overwogen dat het enkele feit dat ABN AMRO na de einddatum van het krediet Wave niet aanstonds uit hoofde van de borgtocht heeft aangesproken niet leidt tot rechtsverwerking. Hiermee heeft het hof uitdrukking gegeven aan de jurisprudentiële regel dat enkel tijdsverloop onvoldoende is om tot rechtsverwerking te kunnen concluderen. Wave beroept zich immers welbeschouwd op geen enkele actieve gedraging van ABN AMRO die (heeft geleid tot het ‘verdampen’ van de gesubrogeerde pandrechten en) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar zou zijn met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. De door haar genoemde omstandigheden zijn in feite niet meer dan een algehele beschuldiging van stilzitten aan het adres van ABN AMRO. De enkele schending van een zorgplicht (het niet informeren van Wave) door ABN AMRO is mijns inziens niet reeds voldoende voor afwijking van deze regel, zeker niet in het geval van een overeenkomst van borgtocht, die, zoals reeds enkele malen aan de orde kwam, tot doel heeft zoveel mogelijk zekerheid te bieden voor de daadwerkelijke nakoming van een andere overeenkomst, die anders niet zou zijn aangegaan. Het niet informeren zal er immers in het algemeen niet toe kunnen leiden dat Wave er redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat ABN AMRO de borgtocht niet meer zou inroepen (daarover ook reeds 2.19 hierboven); evenmin kan, ondanks de schending van een zorgplicht, worden gezegd dat van ABN AMRO verwacht mocht worden dat zij door middel van een (pro-)actieve voorlichting (elke mogelijke) benadeling van de positie van Wave als hier bedoeld, ook door buiten haar gelegen factoren, zou (trachten te) voorkomen. Bij dit alles speelt een belangrijke rol dat de eventuele onredelijke verzwaring of benadeling van de positie van Wave die het gevolg zou kunnen zijn van het ‘verdampen’ van de gesubrogeerde pandrechten niet op enigerlei wijze is veroorzaakt door een gedraging (of nalaten) van ABN AMRO en er daarom naar mijn idee dus ook geen sprake is van een gedraging van ABN AMRO die ten koste van de borg afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag verwachten te worden gesubrogeerd als bedoeld in art. 6:154 BW. ABN AMRO heeft slechts nagelaten om Wave er actief op te wijzen dat er sprake was van een situatie van niet-nakoming door de hoofdschuldenaar van zijn verplichtingen, waarin Wave als borg mogelijkerwijs zou worden aangesproken tot nakoming, waarin de gesubrogeerde pandrechten derhalve mogelijkerwijs van belang zouden gaan worden en waarin het derhalve is aan te raden om, als borg, op een eventuele ‘verdamping’ daarvan het oog te houden en daar, eventueel en zo mogelijk, naar te handelen. De eventuele verzwaring of benadeling van de positie van Wave is hier dus toch vooral het gevolg van het verloop van tijd als zodanig. Daarmee is het hof mijns inziens niet alleen uitgegaan van een juiste maatstaf, maar is zijn oordeel evenmin onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d, en de alinea staat in dat document op bytes 51634 tot 54834.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d | shasum -a 256