Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Onder 3.3 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:206.

Het middel klaagt dat in cassatie vaststaat dat de tussen Wave en ABN AMRO overeengekomen bepaling (juist wel) op bovengenoemde wijze dient te worden uitgelegd en dus als zodanig in de weg staat aan de op een verplichting van ABN AMRO jegens Wave gebaseerde vordering van laatstgenoemde. Wave heeft, aldus het middel, in dit verband uitsluitend als verweer aangevoerd dat het beroep van ABN AMRO op deze contractuele bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is c.q. dat artikel 2.1 van de Algemene Bankvoorwaarden prevaleert boven hetgeen is overeengekomen in de borgtochtovereenkomst. Het hof heeft geen – kenbare – beslissing gegeven over dit beroep van Wave op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid en op het in die context door Wave gepresenteerde beroep op de Algemene Voorwaarden. Voor zover het hof de stellingen van Wave anders heeft uitgelegd, is die uitleg onbegrijpelijk. Voor zover het hof het wel door Wave aangevoerde verweer in rov. 3.5.2, eerste volzin, heeft gehonoreerd, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste opvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft immers niet (kenbaar en voldoende gemotiveerd) getoetst aan de onaanvaardbaarheidsmaatstaf van art. 6:248 lid 2 BW. Daarbij wijst het middel nog op verschillende omstandigheden die het hof bij zijn oordeel in aanmerking had moeten nemen, waaronder het feit dat art. 4 van de borgtochtovereenkomst een algemeen geaccepteerde, frequent met professionele borgen overeengekomen bepaling is die de werking van art. 6:154 BW contractueel uitsluit. Voor zover het hof de stelling van Wave dat art. 2.1 van de Algemene Bankvoorwaarden prevaleert boven hetgeen is overeengekomen in de borgtochtovereenkomst als een zelfstandig verweer ten opzichte van haar beroep op de derogerende redelijkheid en billijkheid heeft uitgelegd is zijn oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. In het licht van het verweer van ABN AMRO valt immers niet in te zien dat en waarom genoemd art. 2.1 prevaleert boven de borgtochtovereenkomst, nu de borgtochtovereenkomst voorziet in de mogelijkheid van afwijking van de Algemene Bankvoorwaarden en daarvan, zoals tussen partijen vaststaat, afweek met art. 4 van de borgtochtovereenkomst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abf7bb45b753a228f044d59e964838215dfdab7796e4900e95b3e7e8c280fa8d, en de alinea staat in dat document op bytes 58008 tot 60382.