Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2018
Onder 2.39. Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:21.
Het is echter ook voorstelbaar dat de arbiters zich met betrekking tot de rechtsverhouding waaraan het verrekeningsverweer is ontleend wél een inhoudelijk oordeel aanmatigen. Ik spreek welbewust van ‘aanmatigen’, omdat ik geneigd ben om te denken dat verstandige arbiters, in de wetenschap dat zij slechts over het verrekeningsverweer hebben te oordelen en niet over de rechtsverhouding die aan dat verweer ten grondslag ligt, bij voorkeur art. 6:136 BW zullen toepassen in plaats van zich op glad ijs te begeven. Doen arbiters het toch anders, en geven zij wél een inhoudelijk oordeel over die rechtsverhouding, dan zorgt de onder 2.37 bedoelde nuance in het leerstuk van het gezag van gewijsde ervoor dat het resultaat hetzelfde blijft. Volgens die nuance is dat inhoudelijk oordeel te beschouwen als een voorbeslissing – voorafgaand aan de beslissing die de arbiters op eigen terrein nemen, namelijk die met betrekking tot het verrekeningsverweer – waaraan géén gezag van gewijsde toekomt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b624c175aaa251c72bf315b97db10b55d744e76b08a2bcf1ad7ff81e63734f84. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b624c175aaa251c72bf315b97db10b55d744e76b08a2bcf1ad7ff81e63734f84, en de alinea staat in dat document op bytes 57025 tot 58042.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b624c175aaa251c72bf315b97db10b55d744e76b08a2bcf1ad7ff81e63734f84 | shasum -a 256